Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Home

 

 

JEHOSJOEA – HOOFDSTUK 2

Text Box: De belofte van Reoeveen

 2 1 Jehosjoea, de zoon van Noen, zond van Sjittiem twee mannen – verspieders – uit, terwijl hij in het geheim tegen hen zei: „Ga het land en Jericho bekijken.” Ze gingen en kwamen bij het huis van een herbergierster, Rachav geheten, en daar gingen ze slapen. 2 Aan de koning van Jericho werd verteld: „Er zijn hier vannacht mannen van de Israëlieten aangekomen, om het land te bespio­neren.” 3 Daarop zond de koning van Jericho aan Rachav de volgende bood­schap: „Stuur de mannen die bij je gekomen zijn, die naar je huis zijn gekomen, naar buiten, want zij zijn gekomen om het land te bespioneren.” 4 Maar de vrouw had de beide mannen al meegenomen  en hen verborgen en ze zei: „Inderdaad zijn er twee mannen bij mij gekomen, maar ik wist niet waarvandaan zij kwamen. 5. Toen de stadspoort werd gesloten toen het donker begon te worden, gingen zij daar uit en ik weet niet waar die mannen zijn heengegaan. Ga vlug achter hen aan, opdat u hen inhaalt.” 6. Maar ze had hen naar het dak gebracht en hen onder de vlasstengels verstopt, die voor haar waren uitgespreid op het dak. 7 En dus achtervolgden de mannen [van Jericho] hen in de richting van de Jordaan, naar de oversteekplaatsen en men sloot de poort achter hen, zodra de achtervolgers hen achterna waren gegaan.

8.  Zij waren nog niet gaan slapen toen zij naar hen toe klom op het dak. 9 Zij zei tegen de mannen: „Ik weet dat Hasjem jullie het land gegeven heeft en dat wij door angst voor jullie zijn overmand en dat al de inwoners van dit land smelten van angst. 10 Want wij hebben gehoord hoe Hasjem het water van de Rietzee voor jullie heeft doen opdrogen, toen jullie uit Egypte trokken en wat jullie gedaan hebben met de twee koningen van de Emorieten aan de overkant van de Jordaan, met Sichon en Og, die jullie volkomen vernietigd hebben. 11 Toen wij dat hoorden smolt ons hart en er bleef bij niemand enige geestdrift over om het tegen jullie op te nemen, want Hasjem, jullie G-d, Hij is G-d daarboven in de hemel en hierbeneden op de aarde. 12 En nu, zweer mij bij Hasjem, dat, omdat ik jullie gunstig behandeld heb, jullie ook de familie van mijn vader gunst zullen bewijzen en geef mij een teken van goede trouw, 13 dat jullie mijn vader, mijn moeder, mijn broers en mijn zusters en heel hun huishouden in leven laten en dat  jullie onze levens zult redden  van de dood.”

14 De mannen antwoordden haar: „Wij staan met ons leven voor u in, mits u onze afspraak niet bekend maakt. En het zal zijn dat wanneer Hasjem ons het land geeft, dan zullen wij u met ware goedheid behandelen.” 15 Hierop liet zij hen aan een koord door het raam zakken, want haar huis was in de stadsmuur, zij woonde in de muur. 16 En zij zei tegen hen: „Ga naar de berg, opdat jullie de achtervolgers niet tegenkomen en verbergen jullie je daar drie dagen, totdat de achtervolgers zijn teruggekeerd, daarna kunnen jullie je weg vervolgen.

17 De mannen zeiden tegen haar: „Wij zullen van deze eed, die u ons heeft laten zweren, ontheven zijn, 18 wanneer u [niet] dit purperrode koord aan het raam heeft gebonden, waaruit u ons omlaag heeft laten zakken en uw vader en uw moeder en uw broers en zusters en heel het huisgezin van uw vader moet u bij u in huis nemen. 19 Dan zal het voor ieder die de deur van uw huis uitgaat, zo zijn dat zijn bloed op zijn hoofd is en daar zullen wij onschuldig aan zijn, maar voor ieder die bij u in huis blijft, zijn wij verantwoordelijk, wanneer iemand de hand aan hem slaat. 20 Maar als u onze afspraak bekend maakt, dan zijn wij ontheven van de eed die u ons heeft laten zweren.” 21 Zij antwoordde: „Het zal zijn zoals u gezegd heeft.” Daarop zond zij hen weg en zij gingen en zij bond het purperrode koord aan het raam. 22 Zij gingen heen en kwamen aan bij de berg en bleven daar drie dagen, totdat de achtervolgers terugge­keerd waren. De achtervolgers hadden overal naar hen gezocht maar hen niet gevonden. 23 Nu keerden de twee mannen terug en daalden van de berg af, staken [de Jordaan] over en kwamen bij Jehosjoea de zoon van Noen en vertelden hem alles wat hen was overkomen. 24 En zij zeiden tegen Jehosjoea: „Hasjem heeft ons het Land in handen gegeven, en al de inwoners van het land smelten van angst voor ons.

Aantekeningen


1. Jehosjoea .... zond – Terwijl Israël gelegerd was aan de oever van de rivier de Jordaan, klaar om het Land Israël binnen te trekken, zond Jehosjoea twee spionnen om het gebied rondom Jericho, dat het eerste doel zou zijn,  te verkennen. Mosjé had negenendertig jaar geleden een soortgelijke expeditie uitgezonden met desastreuze gevolgen (zie Bamidbar 13:1-14:38), maar dat weerhield Mosjé er niet van om spionnen uit te zenden voor de gevechten op de oostoever van de Jordaan (Bamidbar 13:18), noch schrok het nu Jehosjoea af. In plaats van er een grote groep op uit te sturen, zoals luidruchtig door een weerspannige menigte geëist werd (zie Devariem 1:23) – hetgeen de oorzaak was van de oorspronkelijke mislukking – werden de latere zendingen van Mosjé en Jehosjoea in stilte gedaan, bestaande uit slechts weinig mannen, die niet aan de hele natie rapporteerden maar alleen aan Mosjé en Jehosjoea.

Jehosjoea zond er geen spionnen op uit om te zien of het land goed en vruchtbaar was; G-d had hem geboden de Jordaan over te steken en had hem de overwinning verzekerd, Hij had het land geprezen als „een land overvloeiend van melk en honing,” en Jehosjopa twijfelde niet aan G-ds woorden. Echter, hij zond de spionnen er op uit omdat hij ervan verzekerd was dat ze zouden terugkomen met een bericht dat de moraal van het volk zou oppeppen, zodat ze Erets Israël zouden binnentrekken, vol vertrouwen dat G-d hun het land in handen zou geven (Radak, Ralbag). Hij wilde ook weten in hoeverre de diverse steden zich hadden voorbereid op de invasie, om vast te stellen hoeveel mannen hij voor de operatie zou moeten inzetten (Or Hachajiem). [Doordat de aanwezigheid van de spionnen ontdekt werd, konden ze hun opdracht niet volledig uitvoeren.]

De primaire bestemming van de spionnen was Jericho, omdat dit een versterkte vestingstad was. Wanneer Jericho eenmaal veroverd was, lag de weg naar meer overwinningen open.

Rasji  schrijft: Tegen mijn wil moet ik zeggen dat hij [Jehosjoea] hen wegstuurde nog tijdens de rouw-periode voor Mosjé, want drie dagen na de beëindiging van die rouwtijd staken ze de Jordaan over, want vadaar kunnen we afleiden dat Mosjé overleed op de 7e Adar, namelijk door drieëndertig dagen terug te tellen vanaf de dag dat zij uit de Jordaan omhoog kwamen, namelijk de tiende dag van de eerste maand. Wel nu, vanaf de tijd dat de spionnen werden uitgezonden trokken ze de Jordaan niet over tot de vijfde dag, zoals er staat geschreven (verderop in vers 22): „daar bleven ze drie dagen totdat de achtervolgers waren teruggekeerd.” Op die nacht staken de beide spionnen de Jordaan over en rapporteerden aan Jehosjoea (vs. 23), en Jehosjoea stond de volgende ochtend vroeg op en zij gingen weg van Sjittiem (3:1). Dat is de vierde dag en daar overnachtten zij, voordat zij overstaken. Dus ze staken de Jordaan niet over vóór de vijfde dag.

Ralbag verklaart dat opde dag dat de rouwtijd voor Mosjé voorbij was, Jehosjoea de spionnen er op uit zond. Dat was de zes Niesan. Die dag kwamen zij bij het huis van Rachav en zij zond hen weg op de avond van de zevende Niesan. Ze verborgen zich in de bergen op de zevende, achtste en de nacht van de negende Niesan, dus totaal drie dagen. Diezelfde nacht keerden ze terug bij Jehosjoea. Jehosjoea stond vroeg in de ochtend van de negende op. Ze overnachtten daar de nacht van de tiende en op de dag van de tiende Niesan staken ze de Jordaan over.

Twee mannen – Kalev en Pinchas (Rasji vers 4 volgens Midrasj Tanchoema).

Vanuit Sjittiem – Ten noordoosten van de Dodezee, ook bekend als Abel Sjittiem, zoals er geschreven staat (Bamidbar 33:49): „Ze sloegen hun kamp op aan de Jordaan van Beit Hajesjimot tot Aweel Hasjittiem.”

In het geheim – Verkleed als kooplieden (Rasji). [Volgens Rasji wilde Jehosjoea dus hun identiteit verhullen voor de Kenaänieten.] Volgens Radak echter wilde hij voor de Israëlieten verborgen houden dat hij er spionnen op uit stuurde, om te voorkomen dat het volk zou denken dat ook hij bang was.

Jericho – wordt apart genoemd, omdat het extra versterkt was, omdat het aan de grens lag (Rasji).

Herbergierster – De Targoem vertaalt hier met ‘herbergierster’ en zo vertaalt Rasji. Radak zegt dat zij een hoer was. Commentatoren verenigen de beide verklaringen, door erop te wijzen dat een herbergierster veel klanten aantrekt. Zij was een bekende en zeer mooie vrouw (Megilla 15a) die door alle groten en vorsten van het land bezocht werd (Zevachiem  115a) in haar woning, die in de stadsmuur was. Daardoor was ze goed op de hoogte van de toestand in het land en kon ze de spionnen daarover inlichten. De Geleerden vertellen dat ze berouw kreeg van haar slechte gedrag, zich bekeerde tot het Jodendom en dat Jehosjoea met haar trouwde en dat er acht profeten uit haar voortkwamen, o.a. Jeremiahoe en Jechezkel (Megilla 14b).

2. Vannacht – Kooplieden komen overdag, niet ’s nachts (Malbiem).

3. Want zij zijn gekomen om het land te bespioneren – Als je soms dacht dat ze je kwamen bezoeken in je hoedanigheid als hoer, of vanwege je gastvrijheid als herbergierster, zodat je hen vanwege die gastvrijheid niet het huis uit kunt zetten, dan vergis je je, wan ze zijn alleen maar gekomen om het land te bespioneren, dus stuur die mannen maar naar buiten (Abarbanel).

4. Maar de vrouw had . . .  hen verborgen – Nog voordat de boodschappers van de koning kwamen (Radak) [ermee rekening houdend dat haar gasten misschien gezien zouden worden.]

Er staat letterlijk: had hem verborgen. Ze verborg hen in een nauwe plaats, alsof het maar één man was. De Aggadische verklaring is: het waren Pinchas en Kalev, maar Pinchas was als een engel en ze konden hem niet zien. En nog een andee verklaring: ze verborg ieder van hen apart (Rasji).

7. Naar de oversteekplaatsen – Want ze veronderstelden dat ze de Jordaan zouden overvluchten (Rasji).

Men sloot de poort – De poortwachters van de stad (Rasji). Volgens Radak sloten de huisbewoners de poort van het huis, voor het geval de achtgervolgers zouden terugkomen.

Zodra de achtervolgers hen achterna waren gegaan – Dat wil zeggen, kort daarna. Als ze de poort onmiddellijk hadden gesloten, zouden ze achterdochtig geworden zijn en de achtervolgers zouden hen ervan verdenken dat ze de spionnen hielpen (Radak)

8. Zij waren nog niet gaan slapen – Hoewel hun leven in gevaar was, vertrouwden de spionnen volledig op Hasjem, dat Hij hen zou beschermen en ze gingen daarom met een gerust hart de nacht in (Kli Jakar volgens Me'am Lo'eez).

Toen zij naar hen toe klom op het dak – Lett.: „Toen ze op hen kwam.” – Ze liep over het vlas dat hent bedekte, om hen wakker te maken voor het geval dat ze al sliepen, want ze durfde hen niet te roepen, opdat de achtervolgers haar niet zouden horen (Malbiem).

11.  Er bleef bij niemand enige geestdrift over – Zelfs niet om bij een vrouw te liggen, want er wordt gezegd dat er geen minister of prins was, die niet bij Rachav gelegen had. Zij was 10 jaar toen Israël uit Egypte trok en zij hoerde alle veertig jaar (Rasji).

Want Hasjem, jullie G-d, Hij is G-d daarboven in de hemel en hierbeneden op aarde – Hier toonde Rachav haar monotheïstisch geloof en als beloning daarvoor mocht de Profeet Jechezkel, een nakome­ling van Rachav, de Heerlijkheid van G-d zien (Jalkoet Sjimoni).

12. Een teken van goede trouw – Dat wanneer jullie naar deze stad komen en die veroveren, dat jullie dat teken zult zien en mij in leven zult laten (Rasji).

13. Redden  van de dood – Door ons als proselieten te accepteren (Malbiem).

15.  Een koord – Hetzelfde koord waaraan de mannen zich optrokken als zij haar kwamen bezoeken en met het­zelfde artikel waarmee zij gezondigd had, toonde Rachav nu berouw.

Door het raam – Want de stadspoorten waren al gesloten (Metsoedat David).

19. Diens bloed is op zijn hoofd – Die is zelf schuldig aan zijn dood (Rasji).

23.  Nu keerden de twee mannen terug – Mosjé Rabbeinoe was op 7 Adar overleden. Vóór het eind van de dertig dagen rouw, op 5 Niesan, werden de spionnen uitgezonden, en na drie dagen, de 9e Niesan, keerden zij terug (Rasji). Volgens Ralbag vertrokken zij de 6e Niesan en keerden de 8e Niesan terug.

 

JEHOSJOEA

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder