Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Home

 

 

JEHOSJOEA – HOOFDSTUK 4

4. 1 Toen het hele volk Israël de Jordaan was overgestoken, sprak Hasjem tegen Jehosjoea als volgt: „2 Kies voor jullie zelf twaalf mannen uit het volk, uit iedere stam één man, 3 en gebied hun als volgt: Neem van hier, vanuit het midden van de Jordaan, vanwaar de Priesters staan, twaalf stenen; neem ze mee naar de plaats waar jullie vanavond overnachten. ”

4 Aldus riep Jehosjoea de twaalf mannen die hij had gekozen uit de Israëlieten, van iedere stam één man 5 en Jehosjoea zei tegen hen: „Ga voor de Ark van Hasjem uit door het midden van de Jordaan en ieder van jullie tilt voor zichzelf één steen op zijn schouder, [overeenkomstig] het aantal stammen van de Israëlieten, 6 opdat dit een teken in jullie midden zal zijn wanneer jullie kinderen morgen zullen vragen: wat betekenen deze stenen voor jullie? 7 Dan zullen jullie hun antwoorden: ‘[Zij herinneren er ons aan] dat het water van de Jordaan voor de Ark van het Verbond met Hasjem werd afgesneden; toen die [de Ark] de Jordaan overstak, werd het water van de Jordaan afgesneden.’ En deze stenen zullen een eeuwig aandenken zijn voor de Israëlieten.”

8 De Israëlieten deden zoals Jehosjoea bevolen had en droegen twaalf stenen vanuit de Jordaan, zoals Hasjem tegen Jehosjoea gezegd had, overeenkomstig het aantal stammen van Israël, en zij brachten ze met zich mee naar de plaats van hun overnachting en daar legden zij ze neer.

9 Jehosjoea zette twaalf [andere] stenen op in het midden van de Jordaan, onder de plaats van de voeten van de Priesters, de dragers van de Ark van het Verbond en daar bleven zij, tot de dag van vandaag. 10 De Priesters, de dragers van de Ark, bleven staan in het midden van de Jordaan totdat alles wat Hasjem Jehosjoea geboden had, tegen het volk gezegd was, zoals alles wat Mosjé Jehosjoea geboden had. Het volk haastte zich en stak over.

11 En toen heel het volk was overgestoken, stak ook de Ark van Hasjem over en de Priesters, voor [de ogen van] het volk.   12 De stammen Reoeveen en Gad en de halve stam Menasjè trokken gewapend voor de Israëlieten uit, zoals Mosjé tegen hen gesproken had. 13 Ongeveer veertigduizend man gingen gewapend voor Hasjem de strijd in, naar de vlakten van Jericho. 14 Op die dag maakt Hasjem Jehosjoea groot in aanzien in de ogen van heel Israël en zij eerbiedigden hem zoals zij Mosjé geëer­biedigd hadden.

15 Nu sprak Hasjem tot Jehosjoea en zei: 16 „Gebied de Priesters, de dragers van de Ark van het Getuigenis, dat zij uit de Jordaan omhoog moeten komen.” 17 Dus Jehosjoea beval de Priesters en zei: „Kom omhoog uit de Jordaan.” 18 Toen de Priesters, de dragers van de Ark van het Verbond met Hasjem uit de Jordaan omhoog kwamen en de voetzolen van de Priesters droge grond betraden, toen keerde het water van de Jordaan terug naar zijn plaats zoals het voorheen was, en stroomde weer over de oevers.

19 Het volk kwam uit de Jordaan omhoog op de tiende van de eerste maand en sloeg zijn kamp op te Gilgal, ten oosten van Jericho. 20 Die twaalf stenen die zij uit de Jordaan hadden meegenomen, richtte Jehosjoea op te Gilgal. 21 En hij sprak tot de Israëlieten en zei: „Wanneer jullie kinderen morgen hun vaders vragen: ‘Wat zijn dat voor stenen?’ 22 Vertel dan jullie kinderen hoe Israël op het droge deze Jordaan is overgetrokken. 23 Hoe Hasjem, jullie G-d, het water van de Jordaan voor jullie opdroogde, totdat jullie waren overgestoken, zoals Hasjem, jullie G-d gedaan had met de Rietzee, die hij voor ons opdroogde, totdat wij daar doorheen getrokken waren, 24 zodat alle volken op de wereld zullen weten hoe machtig Hasjem is, opdat zij Hasjem, jullie G-d te allen tijde zullen vrezen.”


 

4 2. Twaalf mannen – Dit zijn dezelfde twaalf mannen als die hiervoor (3:12) genoemd werden (Rasji).

3. Vanuit het midden van de Jordaan – Hij gebood hun weer terug te gaan naar de andere oever, waar zij vandaan kwamen, nadat zij al waren overgestoken (Metsoedat David).

Neem ze mee – Zoals Mosjé geboden had (Devariem 27:1-8) om daarvan een altaar te bouwen op de berg Eval en daarop de woorden van Tora te schrijven. En op diezelfde dag kwamen zij aan bij de berg Eval, bouwden er het altaar en offerden daar brand- en vredeoffers op, aten en dronken er en overnachtten in Gilgal (Rasji, Sota 36a). [Gedurende de 14 jaren van de verovering van het Land, stond het Misjkan in Gilgal, waarna hij 369 jaar in Sjilo stond, waar het door de Fillistijnen verwoest werd.]

5. Ga voor de Ark uit – Ga nu de Jordaan in en loop voor de Priesters uit (Rasji). Hieruit blijkt dat Jehosjoea als laatste de Jordaan overstak en heel het volk voor zich uit stuurde, zodat ze zekerder zouden zijn dat het water als een muur zou blijven staan, totdat hij de Jordaan zou zijn overgestoken (Radak).

9. Jehosjoea zette twaalf stenen op – Dit waren twaalf andere stenen [dan die welke in het vorige vers genoemd werden] en die hij in de Jordaan opzette (Rasji). Hoewel we daar niets over lezen, had Hasjem hem dit blijkbaar ook geboden (Radak).

Onder de plaats – Op de plaats waar de Priesters stonden, niet onder hun voeten, want zij kwamen niet van hun plaats, totdat alles gedaan was (zie vers 10) (Radak).

Tot de dag van vandaag – De Rabbijnen vermelden in Sota 34a dat in hun tijd de stenen nog te zien waren.

10. Totdat alles tegen het volk gezegd was –  Volgens de interpretatie van Abarbanel, die meent dat de Priesters daar niet de hele dag konden blijven staan, totdat heel het volk was over gestoken. Volgens Radak  bleven de Priesters daar staan totdat de stenen van Jehosjoea waren opgezet en de andere stenen op de plaats van overnachting waren gelegd.

11. Voor het volk – De Ark en de Priesters staken niet op de manier over zoals het volk was over gestoken, maar de voeten van de Priesters werden opgeheven en teruggebracht naar de oostzijde van de Jordaan en het water keerde terug, zoals verderop (5:18) wordt vermeld. Dus de Ark en zijn dragers bevonden zich nu aan de ene kant van de Jordaan en heel Israël aan de andere kant. Vervolgens tilde de Ark zijn dragers op en bracht hen naar de andere kant (Rasji op basis van Sota 35a).

14. Maakte Hasjem hem groot – Want zoals Hij de zee voor Mosjé gespleten had, zo spleet hij de Jordaan voor Jehosjoea (Radak).

18.  Toen de voetzolen van de Priesters de droge grond betraden – De Priesters stapten terug op de oost­oever, aan de kant waar zij in de Jordaan hadden gestaan toen het volk overstak. Daarom staat er dat zij omhoog kwamen, in plaats van dat zij overstaken (Rasji).

20. Richtte Jehosjoea op – De twaalf mannen hadden de stenen op een willekeurige manier neergezet, maar Jehosjoea maakte er een gedenksteen van voor alle latere generaties (Malbiem).

 

JEHOSJOEA

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder