Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Home

 

 

JEHOSJOEA – HOOFDSTUK 5

5. 1 Het gebeurde  toen alle koningen van de Emorieten, die aan de westzijde van de Jordaan waren, en alle koningen van de Kenaänieten die aan de kant van de zee waren, hoorden dat Hasjem het water van de Jordaan had opge­droogd voor de Israëlieten, totdat zij de Jordaan waren overgestoken, smolten hun harten en er was geen geestkracht meer in hen wegens de Israëlieten.

2 In die tijd zei Hasjem tegen Jehosjoea: „Maak scherpe messen van harde steen en besnijd de Israëlieten nog eens, voor de tweede maal. 3 Dus maakte Jehosjoea scherpe messen en besneed de Israëlieten op Givat Haäralot – de Heuvel van de voorhuiden.

4 En dit was de reden waarom Jehosjoea [hen] besneed: het hele volk dat uit Egypte was getrokken – de mannen die geschikt waren voor de oorlog, waren onderweg in de woes­tijn overleden nadat zij uit Egypte waren getrok­ken. 5 Want heel het volk dat was uitgetrokken, was besneden, maar al diege­nen die onderweg in de woestijn geboren waren, nadat zij Egypte verlaten hadden, waren niet besneden. 6 Want de Israëlieten hadden veertig jaar door de woestijn gezworven, totdat heel het volk, alle weerbare mannen, die uit Egypte waren getrokken en die niet naar de stem van Hasjem hadden geluis­terd, waren overleden; met betrekking tot hen had Hasjem gezworen om hen het land –  waarvan Hasjem gezworen had aan hun voorvaders, dat Hij het ons zou geven, een land dat overvloeit van melk en honing – niet te laten zien,. 7 Maar hun kinderen, die Hij hun plaats liet innemen, besneed Jehosjoea, want zij waren onbesneden, omdat men hen onderweg niet besneden had. 8 Toen heel het volk besneden was, bleven zij in het kamp, totdat zij hersteld waren.

9 Hasjem zei tegen Jehosjoea: „Vandaag heb Ik de schande van Egypte van jullie afgerold,” en Hij noemde die plaats Gilgal, tot op deze dag.

10 De Israëlieten legerden zich te Gilgal en brachten er het Pesach-offer op de veertiende dag van de maand in de avond, op de vlakte van Jericho. 11 En zij aten van het graan van het land op de dag na het Pesachoffer, matsot en geroosterd graan, op diezelfde dag.  12 En het manna stopte vanaf de ochtend dat zij van het [oude] graan van het land aten en de Israëlieten hadden geen manna meer, maar aten van het graan van het land Kenaän in dat jaar.

13 Toen Jehosjoea in Jericho was, sloeg hij zijn ogen op en zag een man voor zich staan met een getrokken zwaard in zijn hand. Jehosjoea ging naar hem toe en zei tegen hem: „Bent u voor ons of tegen ons?” 14 Hij antwoordde: „Nee, want ik  ben de bevelhebber van het leger van Hasjem; ik ben nu gekomen.” Daarop liet Jehosjoea zich voor hem op de grond vallen en zei: „Wat komt mijn heer tegen zijn dienaar zeggen?” 15 De bevelhebber van het leger van Hasjem zei daarop tegen Jehosjoea: „Trek je schoenen uit, want de grond waarop je staat is heilig.” Dat deed Jehosjoea.


 


2. In die tijd – Toen zij nog te Gilgal waren (Radak).

Scherpe messen – Volgens Targoem en Rasji. Meervoud, want anderen hielpen hem (Radak).

Een tweede maal – Want de eeste keer werden zij allen besneden op de avond van de Uittocht uit Egypte, maar alle veertig jaar in de woestijn hadden zij hun kinderen niet besneden, omdat de weersomstandigheden daarvoor niet gunstig waren en ze nooit wisten wanneer zij konden rusten of verder moesten trekken en reizen zou het leven van de pas besneden kinderen in gevaar brengen (Rasji). En zij moesten nu het Pesach-offer brengen, hetgeen niet gebracht mag worden door onbesnedenen (zie Exodus 12:48).

5. Zij waren niet besneden – Zie verklaring Rasji op vers 2. 

9. Afgerold – Ik heb de schande van de Egyptenaren van jullie afgewenteld, die zeiden (Sjemot 10:10): Zie, er is kwaad – Ra’ – voor jullie gezichten. Er is een ster, die Ra’ heet en die is het symbool van bloed en wij zien hem boven jullie staan in de woestijn.” En dat is de betekenis van wat Mosjé zei (Sjemot 32:12): Waarom zou­den de Egypte­naren zeggen: ‘Tot hun ongeluk – Ra – heeft Hij hen uitgevoerd.’” Maar zij wisten niet dat dit het bloed van de besnijdenis was. En toen Jehosjoea hen besneed, werd die schande van hen afgenomen, want de meerderheid van het volk ergerde zich daar nog aan (Rasji). Een andere verklaring: Het feit dat ze onbesneden waren, was voor de Israëlieten een schande (Radak).

Gilgal – Van gilgeel – wentelen, doen rollen.

11. Op de dag na het Pesach-offer – De dag van het wuiven van de Omer [de 16e Niesan], want eerst bracht men het Omer-offer (Rasji). De Omer werd de dag na Pesach geofferd en voordien is het verboden om van het nieuwe graan te eten. R. Tam [op Kiddoesjien 37b, 38a] interpreteert dat het oude graan gegeten werd op de ochtend van de 15e Niesan, na het Pesach-offer. Rasji rekent ons nog voor, dat de Israëlieten sedert de dood van Mosjé Rabbeinoe op 7 Adar tot die 16e Niesan, nog van het manna aten, dat zij op de 7e Adar verzameld hadden, want het manna viel alleen bij het leven van Mosjé.

12. Het oude graan – Deze vertaling volgt de interpretatie van Rasji [zie vorige noot]. Volgens anderen viel het manna tot dan. En volgens andere autoriteiten begon het verbod op het nieuwe graan pas nadat het land onder de stammen verdeeld was.

13. In Jericho – In het gebied rondom Jericho, want men kan niet zeggen dat hij in de stad Jericho zelf was (Rasji), want Jericho was nog niet ingenomen, maar het gebied van 70 el rondom een stad hoort bij die stad.

14. De bevelhebber van het leger van Hasjem – Dit was Michaël, want Israël is het leger van Hasjem, en Michaël is hun beschermengel (Rasji).

Ik ben nu gekomen – Om je te helpen, want geen mens kan tegen Jericho vechten en het veroveren en de muren omgooien (Rasji).

 

JEHOSJOEA

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder