Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Home

 

 

JEHOSJOEA – HOOFDSTUK 8

8. 1 Hasjem zei tegen Jehosjoea: „Wees niet bevreesd of wanhopig; neem al de gevechtstroepen mee en trek op tegen Ai. Zie, Ik heb de koning van Ai en zijn volk  en zijn stad en zijn land in jouw handen overgeleverd. 2 En je zult met Ai en met zijn koning doen zoals je gedaan hebt met Jericho en haar koning; alleen haar oorlogsbuit en haar vee mogen jullie voor jezelf behouden. Leg jezelf in een hinderlaag achter de stad.”

3 Daarop stond Jehosjoea op en al de gevechtstroepen, om op te trekken tegen Ai; en Jehosjoea koos dertigduizend sterke mannen uit, dappere krijgers en zond hen ’s nachts weg. 4 En hij beval hen en zei: „Jullie gaan in een hinderlaag liggen achter de stad; ga niet al te ver van de stad en houd jullie allen gereed. 5 En dan zal ik, met heel het volk bij mij, tot de stad naderen en wanneer zij dan naar buiten komen, ons tegemoet, zoals de eerste keer, dan vluchten wij voor hen. 6 En zij zullen naar buiten komen, achter ons aan, totdat wij hen uit de stad gelokt hebben, want zij zullen denken: zij vluchten voor ons, net als de eerste keer. En wij zullen inderdaad voor hen vluchten. 7 Dan zullen jullie opstaan uit de hinderlaag en de stad innemen, want Hasjem jullie G-d heeft haar in jullie handen overgeleverd. 8 En wanneer jullie de stad hebben inge­nomen, zullen jullie de stad in brand steken; zoals Hasjem gezegd heeft, zullen jullie doen. Zie, ik heb het jullie geboden.”

9 Jehosjoea zond hen weg en zij gingen naar de plaats van de hinderlaag en stelden zich op tussen Beet El en Ai, ten westen van Ai. Jehosjoea overnachtte die nacht tussen het volk.

10 Jehosjoea stond ’s ochtends vroeg op en monsterde de troepen, en hij en de oudsten van Israël trokken op, vóór het volk uit, tegen Ai. 11 En al de gevechts­troepen die bij hem waren, trokken op. Zij kwamen tot vlak bij de stad en stelden zich op ten noorden van Ai en de vallei was tussen hem en Ai. 12 Hij nam ongeveer vijfduizend man en legde hen in een hinderlaag tussen Beet El en Ai, ten westen van Ai. 13 De hoofdtroepen stelden zich op ten noorden van de stad en de bedriegers ten westen van de stad. Die nacht ging Jehosjoea naar het midden van de vallei.

14 Toen de koning van Ai [hen] zag, haastten zij zich en maakten zij zich vroeg op [voor de strijd] en de mannen van de stad trokken uit tegen Israël, ten oorlog, hij en heel zijn volk op die bepaalde tijd, tegenover de vlakte; maar hij wist niet dat er een hinder­laag voor hem lag achter de stad. 15 En Jehosjoea en heel Israël waren [als] verslagen voor hen en vluchtten de woestijn in. 16 En al de mensen die in Ai waren [achter gebleven] werden opgeroepen om hen te achtervolgen; en zij achtervolgden Jehosjoea en werden van de stad weg getrokken. 17 En er bleef geen man achter in Ai of Beet El die er niet op uit trok, achter Israël aan; en zij lieten de stad open en achtervolgden Israël.

18 Hasjem zei tegen Jehosjoea: „Richt de speer in je hand naar Ai, want ik geef haar in jouw handen. En zo richtte Jehosjoea de speer in zijn hand naar de stad. 19 De mannen in de hinderlaag kwamen snel overeind van hun plaats en zodra zij de uitgestrekte hand zagen, begonnen zij te rennen en zij kwamen in de stad en veroverden haar en zij haastten zich en staken de stad in brand. 20 De mannen van Ai keken achter zich en zagen hoe de rook van de stad naar de hemel omhoog steeg en zij hadden niet de kracht om welke kant dan ook uit te vluch­ten. En het volk dat naar de woestijn was gevlucht, keerde zich nu tegen zijn achtervolgers. 21 Jehosjoea en heel Israël zag hoe de mannen van de hin­der­laag de stad hadden ingenomen en hoe de rook van de stad omhoog steeg. Zij draaiden zich om en versloegen de mannen van Ai. 22 En de anderen 22kwamen hen uit de stad tegemoet, en zij waren in het midden van Israël, som­migen aan de ene kant en sommigen aan de andere kant. En zij ver­sloegen hen, totdat geen een van hen overbleef om te vluchten. 23 De koning van Ai vingen zij levend en brachten hem naar Jehosjoea. 24 Toen Israël klaar was met het doden van alle inwoners van Ai in het veld, in de woestijn waar zij hen achtervolgd hadden en zij allen gevallen waren door het scherp van het zwaard, totdat zij waren uitgeroeid, toen keerde heel Israël terug naar Ai en doodden zij hen met het scherp van het zwaard. 25 En allen die vielen die dag, mannen en vrouwen, waren twaalfduizend, heel de bevolking van Ai.

26 Jehosjoea trok zijn hand, welke hij met de speer had uitgestrekt, niet terug, totdat alle inwoners van Ai vernietigd waren. 27 Alleen het vee en de oorlogs­buit van die stad plunderde Israël, overeenkomstig het woord van Hasjem,  dat Hij Jehosjoea geboden had. 28 En Jehosjoea verbrandde Ai en maakte daar voor eeuwig een uitgestorven heuvel van, tot op deze dag. 29 En de koning van Ai hing hij op aan een galg, tot de avond. Toen de zon was ondergegaan gebood Jehosjoea het lijk van de galg af te halen en zij gooiden het voor de ingang van de poort van de stad, en hoopten er een grote berg stenen op, tot op deze dag.

30 Toen bouwde Jehosjoea een altaar voor Hasjem, de G-d van Israël, op de berg Eval, 31 zoals Mosjé, de dienaar van Hasjem, de Israëlieten geboden had, zoals er geschreven staat in de Tora  van Mosjé: een altaar van hele stenen, waarover [men] geen ijzer gezwaaid had. En zij brachten daarop brandoffers voor Hasjem en offerden vredeoffers. 32 En hij schreef daar op de stenen een herhaling van de Tora van Mosjé, die hij schreef in aanwezigheid van de Israëlieten. 33 En heel Israël en de oudsten en de beambten en rechters stonden aan weerskanten van de Ark, tegenover de priesters en de Levieten, de dragers van de Ark van het Verbond met Hasjem, de vreemdeling zowel als de ingeborene, de helft van hen tegenover de berg Geriziem en de helft van hen tegenover de berg Ewal, zoals Mosjé, de dienaar van Hasjem, geboden had, 33aom het volk Israël eerst te zegenen. 34 En daarna las hij al de woorden van de Tora, de zegen en de vloek, overeenkomstig alles wat er geschreven staat in het Boek van de Tora. 35 Er was geen woord van alles wat Mosjé geboden had, dat Jehosjoea niet voorlas aan heel de gemeente Israël, met de vrouwen en de kleine kinderen en de vreemdelingen die met hen mee wandelden.


 


8. 2. De oorlogsbuit is voor jezelf – Daar je door je eigen strategie de stad zult veroveren en dat dankzij de wonderen van Hasjem, zoals bij Jericho, mag je de oorlogsbuit houden (Malbiem).

Achter de stad – Aan de andere kant vanwaar je komt (Metsoedat David).

7. Innemen – De bewoners verdrijven en vernietigen (Radak).  

9. Ten westen van Ai – Want Beet-El lag ten oosten van Ai en Ai lag ten westen van Beet-El (Rasji]).

Te midden van het volk – In het midden van het legerkamp, om iedereen de volgende ochtend aan te sporen vroeg op te staan om zich voor te bereiden op de strijd (Radak).

12. En hij nam ongeveer vijfduizend man – En hij legde hen ook in een hinderlaag, maar dichterbij de eerste groep [van dertigduizend man, die in vers 9 genoemd wordt] (Radak). Dus de ene hinderlaag achter de andere (Rasji).

13. Zij stelden zich op – Zij bereidden zich voor op de strijd (Rasji).

De bedriegers – De troepen in de hinderlaag (Radak, Metsoedat Zion).

In de diepte van de vallei – Onze Geleerden verklaren dat Jehosjoea zich die nacht in de Tora verdiepte (Rasji).

14. Op die bepaalde tijd – Op dezelfde tijd en op dezelfde manier als de eerste keer (Ralbag).

15. Verslagen –  Zij deden alsof zij verslagen waren (Rasji).

17. Zij lieten de stad open – Ook degenen die de stad moesten bewaken, namen deel aan de achtervolging en zo bleven de stadspoorten open en de stad onbewaakt (Malbiem).

18. Richt je speer – Dit was een teken voor de mannen in de hinderlaag om uit hun hinderlaag te komen (Rasji).

20. Zij hadden niet de kracht – Zij hadden geen plaats om naar toe te vluchten (Radak).

En het volk dat naar de woestijn was gevlucht – De Israëlieten, die naar de woestijn waren gevlucht, zoals hierboven in vers 15 staat vermeld, veranderden van achtervolgden in achtervolgers (Rasji).

22. En de anderen – De mannen van de hinderlaag, die de stad in brand gestoken hadden, kwamen nu naar buiten en sloten de mannen van Ai [van achteren] in (Rasji), terwijl de manschappen van Jehosjoea voor hen waren, zodat de mannen van Ai aan beide kanten waren ingesloten.

24. En doodden zij – De vrouwen en kinderen (Metsoedat David).

26. Jehosjoea trok zijn hand niet terug – Hij hield zelf niet op met het doden van de inwoners van Ai totdat hij daarmee klaar was en alle inwoners van Ai gedood waren, zoals Hasjem geboden had, dat alle inwoners van de veroverde steden gedood moesten worden (zie Devariem 20:16).

27. Overeenkomstig het woord van Hasjem – Zie vers 8:2 hierboven.

29. Toen de zon was ondergegaan – Zoals er geschreven staat (Devariem 21:23): Je zult zijn lijk niet aan de galg laten overnachten. En dit geldt voor alle gehangenen in het Land Israël (Radak).

30. Toen bouwde – Deze afdeling is niet in chronologische volgorde geschreven, want dit deed hij op de dag dat zij de Jordaan overstaken (Rasji).

31. Zoals er geschreven staat – In Devariem 27:5: En je zult daar een altaar bouwen… een altaar van hele ste­nen, je zult er geen ijzer over zwaaien.”

32. En hij schreef daar op de stenen – Dat zijn dezelfde stenen als die hierboven genoemd werden en na dit werk pelde hij de kalk eraf en bracht dat naar Gilgal (Rasji).

Een herhaling van de Tora van Mosjé –  Dat is het boek Devariem, dat ook wel Herhaling van Tora” genoemd wordt (Metsoedat Dvid).

De Tora van Mosjé – En in Sota 32a staat geschreven dat hij het schreef in 70 talen, zodat alle volken van de wereld het zouden kunnen lezen (Radak).

33. De helft van hen – Zes stammen bestegen de berg Geriziem: Sjim’on, Levie, Jehoeda, Jissachar, Joséf en Binjamin [overeenkomstig Devariem 27:12] en zes stammen bestegen de berg Eval: Reoeveen, Gad, Asjer, Zevoeloen, Dan en Naftalie [ib. 13]. De Priesters en de Levieten en de Ark stonden beneden, de Priesters omcirkelden de Ark en de Levieten stonden rondom de Priesters en Israël stond aan beide kanten.

33a Om het volk Israël eerst te zegenen –  De Levieten keerden hun gezichten in de richting van de berg Geriziem en begonnen met de zegeningen. En zo staat het ook in Tora, eerst de zegeningen en dan de vloeken [ib. 12-15] (Radak).

34. En daarna las hij – Jehosjoea (Metsoedat David).

35. En de vreemdelingen die met hen meewandelden – Dit waren de verstandigen van de volken, die de won­de­ren hadden gezien die Hasjem voor Israël gedaan had en die zich tot het Jodendom bekeerd hadden (Radak).

 

JEHOSJOEA

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder