Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Home

 

 

JEHOSJOEA – HOOFDSTUK 17

17. 1 Dan was er het lot voor de stam Menasjè, hoewel hij de eerstgeborene van Joséf was. Machir, de eerstgeborene van Menasjè, de vader van Gilad, want hij was een man van de oorlog, kreeg Gilad en Basjan. 2 Er was ook [gebied] voor het overgebleven deel van de stam Menasjè, voor hun families: voor de kinderen van Abiëzer, voor de kinderen van Chelek, voor de kinde­ren van Asriël, voor de kinderen van Sjechem, voor de kinderen van Chefer, voor de kinderen van Sjemida, dit zijn de mannelijke kinderen van Menasjè, de zoon van Joséf. 3 Tselofchad, de zoon van Chefer, de zoon van Gilad, de zoon van Machir, de zoon van Menasjè had geen zonen maar dochters en dit zijn de namen van zijn dochters: Machla, Noa, Chagla, Milka en Tirtsa. 4 Zij benaderden Elazar, de priester en Jehosjoea de zoon van Noen en de vorsten en zeiden: „Hasjem heeft Mosjé opdracht gegeven om ons een aandeel te geven samen met onze broeders.” Hij gaf hun, overeenkomstig het woord van Hasjem, een erfdeel samen met de broers van hun vader. 5 Behalve Gilad en Basjan aan de andere kant van de Jordaan, vielen aan Menasjè nog tien delen toe, 6 want de dochters van Menasjè kregen een erfdeel, net als de zonen en de overige zonen van Menasjè kregen het land Gilad. 7 De grens van Menasjè liep van Asjer tot Michmetat, dat tegenover Sjechem ligt en de grens liep door naar het zuiden, tot de inwoners van Een-Tappoeach. 8 Het land Tappoeach was van Menasjè, maar Tappoeach aan de grens van Menasjè behoorde aan de stam Efrajim. 9 De grens daalde af naar Wadi Kana, zuidwaarts van de wadi. Deze steden van Efrajim waren gelegen tussen de steden van Menasjè. De grens van Menasjè was aan de noordzijde van de rivier en liep uit tot de zee. 10 Zuidwaarts was het van Efrajim, noordwaarts was het van Menasjè en de zee was de grens en zij ontmoetten elkaar bij Asjer in het noorden en in Jisachar in het oosten. 11 Menasjè had [de volgende gebieden] in Jissachar en in Asjer: Beet Sjean en zijn omliggende dorpen, Jivleam en zijn omliggende dorpen en de bewoners van Dor en zijn omliggende dorpen en de inwoners van Een-Dor en zijn omliggende dorpen en de inwoners van Taänach en zijn omliggende dorpen en de inwoners van Megiddo en zijn omliggende dorpen – de drie districten. 12 De leden van de stam Menasjè konden de [inwoners van] deze steden niet verdrijven, maar de Kenaänieten wilden in dit gebied blijven wonen. 13 Toen echter de Israëlieten sterk werden, dwongen zij de Kenaänieten om schatting te betalen, maar zij konden hen niet verdrijven.

14 De nakomelingen van Joséf beklaagden zich bij Jehosjoea en zeiden: „Waarom heeft u mij maar één lot en één deel gegeven als erfdeel, terwijl ik een talrijk volk ben, want Hasjem heeft mij zozeer gezegend?” 15 En Jehosjoea antwoordde hen: „Wanneer u een talrijk volk bent, en het bergland van Efrajim te klein voor u is, trek dan op naar het bos in het land van de Perezieten en de Refaïem en snijdt daar een stuk land voor uzelf uit. 16 De nakomelingen van Joséf zeiden: „Het bergland is niet genoeg voor ons en al de Kenaänieten die in het land van de vallei wonen, hebben ijzeren strijdwagens, zowel zij die van Beet Sjean en zijn omliggende dorpen zijn, als die van de vallei van Jizreël.”

17 Jehosjoea antwoordde het Huis van Joséf, Efrajim en Menasjè en zei: „U bent een groot volk en zeer sterk, u zou niet [slechts] één gebied moeten hebben. 18 Maar de bergen zijn voor u, want dat is een bos en u kunt dat omhakken en de uitlopers daarvan zijn voor u, want u zult de Kenaänieten verdrijven, hoewel zij ijzeren strijdwagens hebben en sterk zijn.


Aantekeningen

17. 1. Machir, de eerstgeborene van Menasjè – Hij had reeds in de dagen van Mosjé de gebieden Gilad en Basjan veroverd aan de andere kant van de Jordaan (Rasji).

4. Hasjem heeft Mosjé opdracht gegeven – Bamidbar 27:7.

Samen met onze broeders –  Dat wil zeggen: „De broers van onze vader” (Metsoedat David).

5. Tien delen – Namelijk zes delen voor de zes zonen in vers 2 genoemd en vier delen voor de vijf dochters van Tselofchad samen (dus niet vijf!) alles aan deze kant van de Jordaan.  De dochters kregen (1) het deel van hun vader, want hij was één van degenen die uit Egypte was getrokken; (2) het deel dat hij met zijn broers erfde van zijn vader, Chefer, die ook uit Egypte was getrokken en dus ook zijn deel had gekregen; (3) Chefer was een eerstgeborene en had dus recht op een dubbele portie; en (4) zij kregen ook nog een aandeel in de erfenis van een broer van hun vader, die in de woestijn gestorven was zonder kinderen na te laten (Radak, Rasji).

7. Van Asjer tot Michmetat – Vanaf het gebied van de stam Asjer, dat ten noorden van Menasjè lag, tot Michmetat, dat aan de andere kant van de zuidgrens van het gebied van Menasjè lag, en dat van Efrajim was (Metsoedat David).

8. Het land Tappoeach – De dorpen en de buitenwijken van Tappoeach waren van Menasjè, maar de stad zelf was van Efrajim (Rasji).

9. Deze steden – De steden van Tappoeach tot Wadi Kana waren van Efrajim, maar lagen in het gebied van Menasjè (Rasji).

10. Zuidwaarts van Efrajim – Van het gebied dat aan de zonen van Joséf was toegewezen, nam Efrajim het zui­de­lijke deel en Menasjè het noordelijke deel (Metsoedat David).

En zij ontmoetten elkaar bij Asjer – Dat wil zeggen het gebied van Menasjè grensde in het noorden aan het ge­bied van Asjer en in het oosten aan het gebied van Jissachar, want diens gebied lag aan de Jordaan (Metsoedat David).

11. De drie districten – Drie provincies (Targoem Jonatan). Dit waren de drie districten van Dor en Een-Dor zoals vermeld in vers 12:23 (Rasji).

14. De nakomelingen van Joséf – Dat was Menasjè (Rasji).

Want Hasjem heeft mij zozeer gezegend – Want ons aantal is sedert de eerste telling in Bamidbar [1:32] met 20.500 gestegen, van 32.200 tot 52.700 in Bamidbar 26:34 (Rasji). Het land werd verdeeld naar het aantal vol­wassenen boven de twintig jaar dat Egypte had verlaten en toen was de stam van Menasjè relatief klein en dus kreeg het een relatief klein aandeel in het land. Deze verdeling gebeurde door Elazar, de Hogepriester met be­hulp van de Oeriem en Toemmiem en Jehoesjoea kon daar niets aan veranderen want de stammen hadden hun deel gekregen volgens het gebod van Hasjem. Daarom adviseerde hij de mannen van Menasjè om zelf grond te ontginnen en de Kenaänieten te verdrijven (Radak).

17.  U bent een groot volk – En daarom hebben jullie veel kracht om met de Kenaänieten oorlog te voeren en jullie kunnen zo je gebied uitbreiden (Metsoedat David). [et is zo ruiHhHHet is zo ruim als twee gebieden].

18. De uitlopers – Van het gebergte (Metsoedat David).

 

JEHOSJOEA

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder