Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Home

 

 

JEHOSJOEA – HOOFDSTUK 20

20. 1 Hasjem sprak tot Jehosjoea en zei: 2 „Spreek tegen de Israëlieten en zeg hun: ‘Zet vluchtsteden apart, waarover Ik gesproken heb met Mosjé, 3 waarheen iemand die per ongeluk, zonder opzet, iemand gedood heeft, kan vluchten en zij zullen voor jullie een wijkplaats zijn voor de bloedwreker. 4 Hij zal naar een van deze steden vluchten en hij zal staan aan de ingang van de poort van de stad en zijn zaak verklaren ten aanhoren van de oudsten van de stad en dan zullen zij hem tot de stad toelaten en hem een plaats geven om tussen hen in te wonen. 5 Als de bloedwreker hem dan achtervolgt, zullen zij de moordenaar niet aan hem uitleveren, want hij heeft zijn naaste onop­zettelijk gedood en hij haatte hem niet voorheen. 6 Hij zal in die stad blijven totdat hij voor het tribunaal terechtgestaan heeft, tot de dood van de Hoge­priester die er in zijn dagen zal zijn. Dan kan de moordenaar terugkeren naar zijn stad en naar zijn huis, naar de stad, vanwaar hij gevlucht was.”

7 Vervolgens bestemde men Kèdesj in de Galiel in het gebergte van Naftali, Sjechem in het bergland van Efrajim en Kirjat-Arba, dat is Chevron, in het gebergte van Jehoeda [tot vrijsteden]. 8 Aan de andere kant van de Jordaan, ten oosten van Jericho, had men Betser in de woestijn, in de vlakte van de stam Reoeveen en Ramot in Gilad van de stam Gad en Golan in Basjan van de stam Menasjè aangewezen [als vlucht-steden]. 9 Dit waren de steden die voor al de Israëlieten apart waren gezet en voor de vreemdelingen die in hun midden woonden, zodat iedereen, die iemand bij vergis-sing gedood had, daarheen kon vluch­ten en niet zou worden gedood door de bloedwreker, totdat hij voor het tribunaal terecht had gestaan.


Aantekeningen

20. 2. Zet vluchtsteden apart Na het einde van de verdeling van het land (Radak) (zie Dewariem 19:1-2).

3. Een wijkplaats – Waar de moordenaar zich kan schuilhouden voor de naaste bloedverwant van degene die hij gedood heeft, en die zijn familie wil wreken (Metsoedat David).

4. Aan de ingang van de poort – In die tijd hadden de oudsten van de stad, de Geleerden, zitting in de stasdspoort. Zie ook Bereisjiet 23:10 en Ruth 4:1.

Zijn zaak – Hoe hij die ander per ongeluk gedood heeft (Metsoedat David).

Zij zullen hem tot de stad toelaten – Ook al heeft zij zijn zaak nog niet bewezen (Metsoedat David).

En hem een plaats toewijzen – En onze Geleerden verklaren (Makkot 13a) dat hij geen huishuur hoeft te betalen zolang hij daar verblijft, want er staat: ‘Zij zullen hem een plaats geven’ (Radak).

5. En hij haatte hem niet – Want als hij hem wel haatte en het zijn vijand was, dan krijgt hij niet de kans om te vluchten, tenzij het zeker is dat de moord niet opzettelijk was (Makkot 9b).

6. Totdat hij terechtgestaan heeft – Wanneer hij wordt vrijgesproken van verbanning, dan keert hij terug naar huis, maar wanneer hij veroordeeld wordt tot ballingschap, keert hij terug naar de vluchtstad, en daar moet hij blijven tot de dood van de Hogepriester (Rasji).

Tot de dood van de Hogepriester – Rabbi Meïr heeft gezegd (Sifri 35:25): De moordenaar verkort het leven van een mens, terwijl de Hogepriester het verlengt (door zijn gebeden). Het is niet gepast dat degene die iemands leven verkort heeft, zich zal bevinden naast degene die het leven verlengt. Rebbi heeft gezegd dat de moordenaar het land bevuilt en de Sjechina – de G-ddelijke Aanwezigheid – verjaagt, terwijl de Hogerpriester het land reinigt en ervoor zorgt dat de Sjechina zal rusten op de inwoners van het land (Radak). De Talmoed (Makkot 11a) zegt dat de de Hogepriester moreel verantwoordelijk is voor iedere onopzettelijke moord, omdat hij niet voldoende gebeden heeft, dat dergelijke ongelukken worden voorkomen.

9. De vreemdeling – Dit betreft een geer tosjav – een niet-Jood die in het Land Israël mag wonen, omdat hij de zeven Noachidische wetten accepteert en naleeft (Makkot 10a).

 

JEHOSJOEA

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder