Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Home

 

 

JEHOSJOEA – HOOFDSTUK 22

22. 1 Toen liet Jehosjoea de stammen Reoeveen, Gad en half Menasjè roepen 2 en zei hij tegen hen: „Jullie hebben je gehouden aan alles wat Mosjé, de dienaar van Hasjem, jullie geboden had. 3 Jullie hebben jullie broeders niet in de steek gelaten, al deze dagen tot op vandaag toe, maar jullie hebben het gebod van Hasjem, jullie G-d, in acht genomen. 4 En nu heeft Hasjem, jullie G‑d, jullie broeders rust gegeven, zoals Hij hun gezegd had. Keer daarom terug naar jullie tenten, naar het land dat jullie in bezit gekregen hebben en dat Mosjé, de dienaar van Hasjem jullie gegeven heeft aan de andere kant van de Jordaan. 5 Alleen, let goed op, dat jullie de geboden en de Tora, die Mosjé, de dienaar van Hasjem jullie geboden heeft, in acht zullen nemen, om Hasjem, jullie G-d lief te hebben en al Zijn wegen te bewandelen en om je aan Hem vast te klampen en om Hem te dienen met heel je hart en met heel je ziel.” Daarop zegende Jehosjoea hen en zond hen weg en zij gingen naar hun tenten.

7 Aan de halve stam Menasjè had Mosjé [land] in Basjan gegeven, en aan de [andere] helft had Jehosjoea [gebied] gegeven tussen hun broeders  aan de westkant van de Jordaan. En ook toen Jehosjoea hen wegzond naar hun tenten, zegende hij hen. 8 En hij zei tegen hen het volgende: „Keer terug naar jullie tenten met veel rijkdommen en met zeer veel vee en met zilver en goud en koper en ijzer en met heel veel kleding; verdeel de oorlogsbuit 8met jullie broeders.” 9 Hierop keerden de mannen van de stammen Reoeveen, Gad en de halve stam Menasjé terug en namen afscheid van de Israëlieten te Sjilo, dat in het land Kenaän gelegen is, om te gaan naar het land van Gilad, het land van hun bezit, dat zij in bezit genomen hadden overeenkomstig de woorden van Hasjem bij monde van Mosjé. 10 Toen zij waren aangekomen in de gebieden van de Jordaan, die in het land Kenaän zijn, bouwden de mannen van de stam Reoeveen, Gad en de halve stam Menasjé een altaar bij de Jordaan, een opvallend groot altaar. 11 De Israëlieten hoorden zeggen: „Zie, de nakome­lingen van Reoeveen en de nakomelingen van Gad en de halve stam Menasjé hebben een altaar gebouwd tegenover het land Kenaän, in de gebie­den van de Jordaan, tegenover de kant van de Israëlieten.” 12 Toen de Israëlieten dit hoorden, verzamelde de hele gemeenschap Israël zich bij Sjilo, om tegen hen ten oorlog op te trekken.

13 Maar de Israëlieten zonden [eerst] Pinchas, de zoon van Elazar, naar de mannen van Reoeveen, Gad en de halve stam Menasjé, naar het land van Gilad, 14 en met hem tien vorsten, een vorst voor elk vaderhuis uit elk van de stammen van Israël en iedere man was het hoofd van een familie, een van de duizenden van Israël. 15 Zij kwamen bij de mannen van Reoeveen, Gad en de halve stam Menasjè in het land Gilad en spraken met hen als volgt: 16 „Aldus zegt de hele gemeenschap van Hasjem: Wat is dit voor een verraad dat jullie begaan tegen de G‑d van Israël, om jullie vandaag af te keren van Hasjem door een altaar te bouwen en daarmee in opstand te komen tegen Hasjem. 17 Waren de wandaden van Peor, waarvan we ons tot vandaag nog niet gereinigd hebben, soms niet genoeg en hebben die niet geresulteerd in een plaag voor de gemeente van Hasjem? 18 Willen jullie je vandaag afwenden van Hasjem, dan zal Hij als gevolg van jullie rebellie tegen Hasjem vandaag morgen boos zijn op heel de gemeente Israël! 19 Maar als het land van jullie bezit onrein is, steek dan over naar het land van de bezittingen van Hasjem, waar het Heiligdom van Hasjem is, en breng jullie bezittingen tussen ons in; maar rebelleer niet tegen Hasjem, en rebelleer ook niet tegen ons, door nog een altaar te bouwen, naast het altaar van Hasjem, onze G‑d. 20 Vergreep Achan, de zoon van Zèrach, zich niet aan het verbodene, en trof de woede niet heel Israël? En die man was niet de enige die om die misdaad stierf!

21 Hierop gaven de mannen van Reoeveen en Gad en de halve stam Menasjè antwoord en zij spraken tot de hoofden van de duizenden van Israël: 22 „G-d, de G-d van alle goden, Hasjem, G-d, de G-d van alle goden, Hasjem, Hij weet en Israël zal weten of het rebellie is, of dat het misdaad tegenover Hasjem is, spaar ons niet deze dag. 23 Als wij het altaar gebouwd hebben om ons van Hasjem af te keren, of om er een brandoffer of een meeloffer of een vredeoffer op de brengen, dan zal Hasjem het weten. 24 Als we dit niet gedaan hebben uit vrees, daarbij tegen onszelf zeggende: In de toekomst zullen jullie kinderen misschien tegen onze kinderen zeggen: ‘Wat hebben jullie te maken met Hasjem, de G-d van Israël? 25 Hasjem heeft een grens gemaakt tussen onze kinderen en jullie kinderen, de kinderen van Reoeveen en van Gad, [namelijk] de Jordaan. Jullie hebben geen deel in Hasjem!’ En dan zullen jullie kinderen er de oorzaak van zijn dat onze kinderen geen vrees meer kennen voor Hasjem. 26 Daarom hebben we gezegd: Laten wij nu een altaar voor onszelf bouwen, niet om er brandoffers of vrede­offers op te brengen, 27 maar dat het als een getuigenis zal dienen tussen ons en jullie en tussen onze nageslachten, dat wij de dienst van Hasjem voor Hem doen met onze brandoffers en onze vredeoffers, opdat jullie kinderen niet tegen onze kinderen in de toekomst zullen zeggen: ‘Jullie hebben geen deel in Hasjem.’ 28 Daarom zeiden wij: ‘Wanneer zij dat tegen ons zeggen, dan zullen wij zeggen: zie, het model van het altaar van Hasjem, dat onze voorvaderen gemaakt hebben, niet om er brand- of vredeoffers op te brengen, maar als een getuigenis tussen ons en jullie.’ 29 Laat het verre van ons blijven dat wij tegen Hasjem zouden rebelleren en ons nu van Hasjem af te keren, door een altaar te bouwen om daar brand-, meel- en vredeoffers te brengen, naast het altaar van Hasjem onze G-d dat voor Zijn Heiligdom staat.”

30 Pinchas de priester en de vorsten van de gemeenschap en de hoofden van duizenden die bij hem waren, hoorden de woorden die de mannen van Reoeveen, Gad en Menasjè zeiden, en het was goed in hun ogen. 31 En Pinchas, de zoon van Elazar de priester zei tegen de mannen van Reoeveen en de mannen van Gad en de mannen van Menasjè: „Vandaag weten wij dat Hasjem in ons midden is, dat jullie dit verraad niet tegen Hasjem gepleegd hebben. Daardoor hebben jullie de Israëlieten gered uit de hand van Hasjem.”

32 Daarna keerden Pinchas, de zoon van Elazar de priester en de vorsten terug van de Reoevenieten en Gadieten en het land Gilad, naar het land Kenaän, naar de Israëlieten en brachten hun verslag uit. 33 De zaak werd goed bevon­den in de ogen van de Israëlieten en de Israëlieten zegenden G-d en zij spraken niet meer over de oorlog die zij tegen hen wilden voeren, om het land waar de Reoevenieten en Gadieten woonden, te verwoesten. 34 En de Reoevenieten en Gadieten noemden het altaar: „Een getuigenis tussen ons dat Hasjem G-d is.”


Aantekeningen

22. 1. Toen – D.w.z. na zeven jaar van veroveringen en zeven jaar van verdeling van het land.

2. Alles wat Mosjé jullie geboden had – In Bamidbar 32: 20-24.

5. G-d lief te hebben en Hem te dienen – Overeenkomstig Dewariem 11:13.

7. En toen Jehoesjoea hen wegzond – D.w.z. toen hij de halve stam Menasjè wegzond, zegende hij hen, zoals hij de mannen van Reoeveen en Gad had gezegend (Rasji).

8. Met jullie broeders –  Sommigen verklaren: met degenen die op jullie steden en huizen met jullie vrouwen en kinderen gepast hebben tijdens jullie afwezigheid (Rasji).

9. Hierop keerden de mannen terug – Zij kwamen van Timna-Serach, de stad van Jehosjoea, waarheen hij hen ontboden had en waar zij afscheid van hem namen, maar zij gingen niet rechtstreeks naar het oosten, de Jordaan over, maar gingen eerst naar het noorden, naar Sjilo, dat in het gebied van Efrajim lag, om daar te bidden in  het Heiligdom en om afscheid te nemen van de Israëlieten, die zich daar verzameld hadden en dit was een teken  dat de verdenkingen die op hen geladen werden in de volgende verzen, volkomen ongegrond waren (Malbiem).

10. In het land Kenaän – Dat wil zeggen: aan de westelijke oever van de Jordaan, dat nog bij het land Kenaän hoorde (Metsoedat David).

Een opvallend groot altaar ­– Alleen om naar te kijken, niet om er offers op te brengen (Metsoedat David).

12. Om tegen hen oorlog te voeren – Wanneer zij hun dwaling niet zouden herstellen, want zij dachten dat het altaar bestemd was om er offers op te brengen (Metsoedat David). Want verhoogde plaatsen [voor privéoffers] waren verboden sedert het Heiligdom in Sjilo was opgesteld (Rasji). Voordat het Heiligdom was opgesteld was het toegestaan om privéaltaars te bouwen op verhoogde plaatsen, maar nadat het in Sjilo was opgesteld, was dat verboden. Toen het Heiligdom in Nov en Givon stond, was het weer toegestaan, maar nadat het Heiligdom in Jeruzalem was gebouwd, was het verboden [en bleef het voor altijd verboden] (Radak).

13. Maar de Israëlieten zonden – Zij zonden een delegatie om hen te waarschuwen, want misschien zouden zij tot inkeer komen (Metsoedat David).

17. De wandaden van Peor – Zie Bamidbar hoofdstuk 25.

18.  Morgen – Dat wil zeggen: niet precies de volgende dag, maar een andere keer omstreeks dezelfde tijd (Metsoedat David).

Op heel de gemeente Israël – Want ieder die had kunnen protesteren en dat niet gedaan heeft, wordt medever­antwoordelijk.

19. Maar als jullie land onrein is – Als jullie denken dat jullie land onrein is en dat Hasjem het daarom niet gekozen heeft om er Zijn Sjechina te laten wonen (Rasji). Omdat het Heiligdom daar niet gebouwd is, kom dan aan deze kant van de Jordaan wonen, in het land van Hasjem (Radak).

22. G-d van alle goden – Zoals ‘de Koning aller koningen’ en de goden zijn de engelen [zie ook Bereisjiet 32:28-30] en Hij is de G-d van alle G-ddelijke schepselen, de Heer van alle heersers. En de herhaling is om dat te beklemtonen (Radak). De herhaling is om te benadrukken dat Hij dezelfe G-d is in deze wereld als in de Komende Wereld (Rasji).

Hij weet – Hij kent de harten en de gedachten (Radak).

Spaar ons niet – Dit was gericht tegen de Sjechina (Rasji).

24. Uit vrees – We hebben dit gedaan uit vrees dat jullie kinderen in de toekomst tegen onze kinderen zullen zeggen [wat er in vs. 25 staat] (Rasji).

 

JEHOSJOEA

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder