Archief SjmoeŽl II

Toon commentaar Rasji

Archief Tanach

SJMOEňL II / II SAMUEL Ė HOOFDSTUK 7

7 1Toen nu de koning zich in zijn huis gevestigd had en Hasjem hem van al zijn vijanden rondom rust gegeven had, 2 zei de koning tegen de Profeet Natan: ĄKijk toch eens, ik woon in een huis van cederhout, terwijl de Ark van G-d tussen de gordijnen staat.Ē 3 Natan antwoordde de koning: ĄAl wat u op uw hart heeft, ga dat doen, want Hasjem is met u.Ē 4 Maar het gebeurde nog diezelfde nacht, dat Hasjem zich als volgt tot Natan richtte: 5 ĄGa tegen Mijn dienaar David zeggen: Dit heeft Hasjem gezegd: ĎGa jij een huis voor Mij bouwen om in te wonen? 6 Maar Ik heb niet in een huis gewoond vanaf de dag dat Ik de IsraŽlieten uit Egypte heb gevoerd tot op deze dag, maar Ik heb steeds rond gewandeld in een tent en in een tabernakel. 7 Overal waar ik ging met de IsraŽlieten, sprak Ik met ťťn van de leiders van IsraŽl, die Ik had aangewezen om Mijn volk IsraŽl te hoeden, en zei Ik [ooit]: Waarom hebben jullie niet voor Mij een huis van cederhout gebouwd?í 8 En je zult dan zeggen tegen Mijn dienaar, tegen David: ĎDit heeft Hasjem van de Legioenen gezegd: Ik heb je uit de schaapskooi gehaald om Mijn volk IsraŽl te leiden. 9 En Ik heb je ter zijde gestaan, overal waar je ging, en Ik heb al je vijanden voor jou uit ver≠nietigd en Ik heb je een grote naam bezorgd zoals de namen van de groten, die op de aarde zijn. 10 En Ik zal een plaats aanwijzen voor Mijn volk, voor IsraŽl; daar zal ik het planten en het zal daar wonen en niet meer verstoord worden en onrecht≠vaardige [mensen/volken] zullen hen niet langer onderdrukken, zoals in het begin, 11 ook vanaf de tijd dat Ik rechters aanstelde over Mijn volk IsraŽl; en Ik zal je rust geven van al je vijanden. En Hasjem heeft je verteld dat Hasjem voor jou een huis zal maken. 12 Wanneer je dagen vol zullen zijn en je bij je vaderen zult liggen, dan zal Ik je nakomelingen, die uit jou voortkomen, doen opstaan en zijn koninkrijk vestigen. 13 Hij zal een huis op Mijn naam bouwen en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig vestigen. 14 Ik zal voor hem als een vader zijn en hij zal voor Mij als een zoon zijn, zodat als hij verkeerd gaat, Ik hem zal kastijden met de roe van de mensen en met menselijke aandoeningen. 15 Maar Mijn welwillendheid zal niet van hem wijken, zoals Ik die afnam van Sjaoel, die Ik voor jou verwijderd heb. 16 En je huis en je koningschap zal altijd voor jou blijven bestaan, je troon zal voor eeuwig gevestigd zijn.íĒ

17 En Natan sprak overeenkomstig al deze woorden en heel dit visioen tegen David.

18 Daarop kwam Koning David en ging voor Hasjem zitten en zei: ĄWie ben ik, Hasjem, en wat is mijn huis, dat U mij tot hiertoe heeft gebracht? 19 Is dit nog te gering in Uw ogen, Heer G-d, dat U ook nog tot het huis van Uw dienaar sprak over de verte? Is dit de manier van mensen, Heer G-d? 20 Wat kan David nog meer tegen U zeggen? U kent Uw dienaar, Heer G-d. 21 Wegens Uw woord en naar Uw hart heeft U [mij] al deze grootheid bewezen, en heeft U Uw dienaar hierover geÔnformeerd. 22 Want u bent groot, Hasjem, G-d, want er is er geen als U en behalve U is er geen god, oveeenkomstig alles wat wij met onze oren gehoord hebben. 23 En wie is als Uw volk, als IsraŽl, een uniek volk op aarde, dat G-d zelf voor Zich ging verlossen als een volk en om voor Hem een naam te vestigen, en om voor jullie [IsraŽl] grote en ontzagwekkende daden te verrichten en voor jullie land, toen U volken en hun afgoden verdreef voor Uw volk, dat U voor U zelf uit Egypte voerde? 24 En U bestemde Uw volk IsraŽl voor eeuwig tot een volk voor U zelf, en U, Hasjem, werd voor hen een G-d. 25 En nu, Hasjem, G-d, datgene wat U gezegd heeft over Uw dienaar en over zijn huis, houd U daar aan voor altijd, doe zoals U gezegd heeft. 26 Moge Uw naam voor altijd vergroot worden, opdat er gezegd zal worden: ĎHasjem van de Legioenen is de G-d van IsraŽl,í en moge het huis van Uw dienaar David voor U standhouden. 27 Want U, Hasjem van de Legioenen, G-d van IsraŽl, U heeft aan het oor van Uw dienaar onthuld en gezegd: ĎIk zal een huis voor jou bouwen;í daarom voelde Uw dienaar in zijn hart dat hij tot U dit gebed moest bidden. 28 En nu, Heer G-d, U bent de G-d en Uw woorden zijn waarheid en U heeft tegen Uw dienaar deze goede dingen gezegd. 29 En nu, moge het Uw wil zijn om het huis van Uw dienaar te zegenen, opdat het voor altijd voor U zal blijven bestaan; want U, Heer G-d, heeft gesproken en laat door Uw zegen het huis van Uw dienaar voor altijd gezegend zijn.Ē