Vorige Index Volgende

Berachot

Hoofdstuk 2 - Misjna 7

וּכְשֶׁמֵּת טָבִי עַבְדּוֹ, קִבֵּל עָלָיו תַּנְחוּמִין. אָמְרוּ לוֹ תַּלְמִידָיו, (לֹא) לִמַּדְתָּנוּ, רַבֵּנוּ, שֶׁאֵין מְקַבְּלִין תַּנְחוּמִין עַל הָעֲבָדִים. אָמַר לָהֶם, אֵין טָבִי עַבְדִּי כִּשְׁאָר כָּל הָעֲבָדִים, כָּשֵׁר הָיָה:

 

Toen zijn slaaf Tavi [1] overleed, accepteerde hij condoleances [2] voor hem. Zijn leerlingen zeiden tegen hem: „Heeft onze leraar ons niet geleerd dat men geen condoleances aanneemt voor slaven?” [3] Hij ant­woordde hen: „Mijn slaaf Tavi was niet als alle andere slaven, hij was een waardig persoon” [4]


[1]. Tavi was een niet-Joodse bediende [een èved kena’anie], die, doordat hij in dienst was van een Jood  dezelfde mitswot verplicht werd als die een vrouw heeft.

[2]. Zie Misjna 3:2

[3]. Wanneer men condoleances voor niet-Joodse slaven en bedienden zou aannemen, zouden omstanders denken dat hij een Jood was en zou men zijn kinderen met de kinderen van de niet-Joodse slaaf laten trouwen hetgeen verboden is.

[4]. Tavi was een Tora-geleerde, en hem kwam daarom die eer toe.


Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder