Vorige Index Volgende

Berachot

Hoofdstuk 4 - Misjna 2

רַבִּי נְחוּנְיָא בֶּן הַקָּנָה הָיָה מִתְפַּלֵּל בִּכְנִיסָתוֹ לְבֵית הַמִּדְרָשׁ וּבִיצִיאָתוֹ תְּפִלָּה קְצָרָה. אָמְרוּ לוֹ, מַה מָּקוֹם לִתְפִלָּה זוֹ. אָמַר לָהֶם, בִּכְנִיסָתִי אֲנִי מִתְפַּלֵּל שֶׁלֹּא תֶאֱרַע תְּקָלָה עַל יָדִי, וּבִיצִיאָתִי אֲנִי נוֹתֵן הוֹדָיָה עַל חֶלְקִי:

 

[De Gemara (Berachot 64a) zegt: ‘Wie de beit knesset verlaat en het beit hamidrasj binnengaat, om Tora te leren, die verdient de aanwe­zig­heid van de Sjechina, zoals er geschreven staat [Tehilliem 84:8]: Zij zullen voor Hasjem in Zion verschijnen’. Daarom ging men na de tefilla naar het leer­huis.]

Rabbi Nechoenja ben Hakkana was gewend om als hij het beit hamidrasj inging of uitging om een korte tefilla te zeggen. Zij [1] zeiden tegen hem zei: „Wat is de plaats [2] voor dit gebed?” Hij antwoord­de hen: „Als ik naar binnen ga, bid ik dat er wegens mij niet iets mis­gaat [3], en als ik naar buiten ga dank ik voor mijn deel [4].


[1]. De andere geleerden.

[2]. Wat is de plaats: Wat is de aard van dit gebed? (RAV)

[3]. Dat er wegens mij niet iets mis­gaat: Dat ik geen struikelblok zal leggen voor een ander [door een fout te maken in de halacha], zoals er staat geschreven in een beraita [28b]: „dat ik niet zal struikelen over een halacha en mijn collega’s mij daarover niet zullen uitlachen”. Want dat zou een slechte zaak voor mij zijn, want ik zou de oorzaak zijn dat zij worden gestraft [zijn collega’s zouden gestraft worden als zij hem uitlachen, want zij overtreden het gebod  „Heb je naaste lief als jezelf”] (RAV).

[4]. Dank ik voor mijn deel: Ik dank Hasjem voor het goede dat Hij mij toegedeeld heeft, dat Hij mij laat zitten tussen diegenen die in het beit hamidrasj zitten. En deze twee tefillot, bij het binnengaan in het beit hamidrasj en bij het naar buiten gaan, zijn voor iedereen een verplichting om te zeg­gen, want de beraita zegt aldus: „Bij zijn binnenkomst, wat zegt hij? En bij zijn naar buiten gaan, wat zegt hij?” Dat betekent dat het een verplichting is dat te zeggen. [De volledige tekst van de beraita  is: „Wat zegt men als men het beit hamidrasj binnengaat? ‘Moge het Uw wil zijn, Hasjem, mijn G-d, dat ik geen fouten maak en dat ik mij niet vergis in een halachische aangelegenheid, waardoor mijn collega’s zich over mij vrolijk zouden maken, dat ik niet iets wat rein is, onrein verklaar of iets wat onrein is, rein; dat mijn collega’s zich niet vergissen in een halachische zaak, waardoor ik mij over hen vrolijk zou maken’. En wat zegt men bij het verlaten van het beit hamidrasj? ‘Ik dank U, Hasjem, mijn G-d, dat U mijn deel gezet heeft tussen de geleerden van het beit hamidrasj en niet tussen de nietsnutten op de hoeken [van de straat]. Want ik sta vroeg op en zij staan vroeg op; ik sta vroeg op om Tora te leren en zij staan vroeg op om achter hun ledigheid aan te rennen. Ik werk hard en zij werken hard; ik werk hard en krijg beloning, zij werken hard en krijgen geen beloning. Ik ren en zij rennen; ik ren naar de Komende Wereld en zij rennen naar  de hel”. De Rambam schrijft: Deze twee gebeden zijn verplicht voor ieder die het beit hamidrasj binnengaat, want de beraita vraagt niet wat hij, Rabbi Nechoenja zei, maar wat men zegt.


Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder