|
Orthodox Jodendom - Artikelen en foto's |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Vervolg: De rouwperiode in het Jodendom (deel 2)
Na het begraven De nabestaanden krijgen nu door de gemeenschap de eerste maaltijd aangereikt, bestaande uit brood en een hardgekookt ei. Een ei symboliseert het leven; het lijkt dood, maar als het bebroed wordt zit er leven in. Men zegt hiermee: de dode is niet echt gestorven, maar leeft eeuwig, zoals dat ei dat maar schijnbaar dood is. Straks komt de Masjie'ag, de gezalfde en daarna zullen de doden herleven. Het brood als troost is ontleent aan Hosea 9:4: 'Als het brood der treurenden, lechem oniem, zijn ze hem'. Die hele week zullen de nabestaanden de gelegenheid krijgen zich aan hun verdriet over te geven. Er wordt voor hen gekookt; ze hoeven de deur niet uit. Niemand voert het woord tegen hen. Zij zitten in hun gescheurde kleren, met pantoffels aan op lage stoelen, ongeschoren, onverzorgd en niemand neemt er aanstoot aan. Iedereen heeft het over de gestorvene en zo leren de achterblijvenden dat ook anderen verdriet hebben om hun dode en hij of zij voor hen eveneens belangrijk was. Dan is het ook gemakkelijker om over de dode te spreken en zodra zijzelf het woord gaan voeren, is er een luisterend oor. Na 7 dagen worden de rouwenden geholpen uit de sjiwwe op te staan. Onder begeleiding lopen ze een rondje om het huis, waarbij de begeleider de woorden uit Jesaja 20:20 zegt: 'Uw zon zal niet meer ondergaan en uw maan verdwijnt niet meer, want de Eeuwige zal u zijn tot een eeuwig licht; mogen de dagen van uw rouw zijn afgesloten' Aan overmatig verdriet geeft men zich niet over. Verdriet kan zich uiten in diepe, intense stilte. In de Spreuken der Vaderen 4:49 staat: 'Die geboren worden zijn bestemd om te sterven. De doden om te herleven' en even verder in de zelfde zin 'Weet ook dat alles volgens afrekening gaat en laat je hartstocht je niet verzekeren dat het graf een toevlucht voor je is'. Hiermee zie je ook hoe het jodendom tegenover de zelfdoding staat. De zin eindigt met de woorden: 'Of je wilt of niet, je wordt gevormd; of je wilt of niet, je wordt geboren; of je wilt of niet, je leeft en of je wilt of niet, je sterft'. Bij zelfdoding waar het jodendom moeite mee heeft, moet men denken aan motieven om economische redenen, zoals bijvoorbeeld bij faillissement of beurskrach. Is de zelfdoding een gevolg van psychisch lijden, dan wordt dit als ziekte met dodelijke afloop beschouwd. Naamsverandering bij ernstige ziekte - sjienoej hasjeem De geleerde Rabba vertelt in de Talmoed ('Sjabbat 12b') dat hij eens met rabbi Eliëzer meeging om een zieke te bezoeken. Hij hoorde rabbi Eliëzer het gebed uitspreken: haMakom jifkadga lesjalom - G'd zal u bedenken tot gezondheid. Het is een mitswa, mooie daad wanneer men bij de zieke voor alle zieken bidt. Want het gebed waarin men allen die hetzelfde treft mede in G'ds genade betrekt, heeft de grootste waarde (Talmoed sjabbat 12b). Zelfs op sjabbat, waarop eigenlijk ieder smeekgebed verboden is, moet men voor de zieke een gebed zeggen. De Talmoed (sjabbat 12a en 12b) geeft verschillende van die korte gebeden op: Sjabbat hie millizok oerefoe'a kerowa kawo - Sjabbat is het; men mag niet om hulp roepen, maar de genezing -spoedig- zal zij komen. Het gebed voor zieken wordt genoemd 'G'd zoeken'. Het kortste gebed vinden we als Mozes voor zijn zieke zuster Mirjam tot G'd bidt met de woorden uit Bemidbar/Numeri 12:13: "Eel na, refa na lah - G'd, alstublieft, genees haar toch". Het gedrag van de aartsvaders en moeders is nog altijd bepalend voor hun verre nazaten. Hoe ging Abraham destijds met zijn gasten om? We kennen het antwoord uit het bezoek van de drie engelen. Ondanks de pijn van de Brith Mila, de besnijdenis, ontving hij zijn gasten met open armen en voorzag hen van voedsel. Aan de andere kant wordt dit engelen-bezoek aan de zieke Abraham gezien als belangstelling van G'd voor zieken. Zoals G'd Zijn belangstelling en medeleven toonde, zo doen de joden dat nog steeds. Binnen de gemeenschap worden de zieken bezocht door de rabbijn en door gemeenteleden. Staat men er enigszins buiten en is de joodse gemeenschap heel klein, dan komt ook dit ziekenbezoek wel eens in de verdrukking. Bij zeer ernstige ziekte kan men overgaan tot 'naamsverandering, sjinoej hasjeem'. Ook daarbij staan aartsvader Abraham en aartsmoeder Sara ten voorbeeld. Abram wordt na het verbond met G'd, de besnijdenis, Abraham genoemd en Saraj wordt Sara. In de Talmoed staat dat naamsverandering het Hemelse besluit kan afwenden. Het idee berust op het feit dat de mens bij ernstige gebeurtenissen in zijn leven een geheel ander mens kan worden. Hij of zij komt tot bezinning, tot inkeer, doet boete en vangt een geheel nieuw leven aan. Bij dat nieuwe leven hoort een ander karakter, dat uitgedrukt wordt in een andere naam. Deze naam wordt de ernstig zieke gegeven in een speciale gebedsdienst, waarbij naast het vragen om genezing de Torarol wordt open gerold en men daarbij zoekt naar de naam van iemand die als zeer goed mens geleefd heeft. Deze handeling wordt goumel-bensjen genoemd. Vaak ook wordt de naam Chajiem voor een man of Chaja voor een vrouw gegeven, hetgeen in beide gevallen het Hebreeuws is voor 'leven'. Of Raphael, G'd zal genezen. In het gewone maatschappelijke leven wordt deze naam niet gebruikt; binnen het joodse leven wel, bijvoorbeeld als de man deelneemt aan de Toralezing. De extra naam wordt ook op de grafsteen vermeld. De naamsverandering gaat, evenals alle andere handelingen in het joodse leven gepaard met gebed, waarbij de ernstig zieke zelf zijn schulden belijdt, in het Hebreeuws de 'widoej'. Nadat er gebeden is voor de zieke, zijn of haar naam veranderd is en hij/zij de zonden beleden heeft, wordt nog voldaan aan een vierde voorwaarde, het doen van weldadigheid, tsedaka. Dat is het geven van geld aan een minderbedeelde of een goed doel en dat doen dan alle aanwezigen ter ondersteuning van deze, als het ware nieuwgeboren persoon. Het sterven Maar dan gebeurt toch het onvermijdelijke; de zieke is stervende. Als hij of zij alles bewust meemaakt, wordt samen met de familie die het sterfbed omringt of iemand van de chewre die de stervende begeleidt het sjema - de getuigenis van G'ds eenheid gezegd: 'Hoor Israel, de Eeuwige is onze G'd, de Eeuwige is Een'. (Deuteronomium 6:4). Daarop wordt driemaal geantwoord: 'Geloofd zij de naam van Zijn heerlijke regering, immer en eeuwig'. Daarna zevenmaal de woorden die de profeet Elia uitsprak op de berg Karmel: 'G'd is de ware G'd '(I Koningen 18:39) De Nederlandse jood noemt deze laatste gebedsdienst op de rand van het leven: 'sjeimes zeggen' zeggen'. Deze gebedsreeks zegt men ook aan het eind van Jom Kippoer, de Grote Verzoendag. Als de persoon gestorven is, zeggen de achterblijvenden de laatste zin van psalm 90: Moge de liefderijke hulp van mijn Heer, onze G'd ons bijstaan en de gehele psalm 91 en tot slot het mystieke gebed Ana Bego'ach van rabbi Nechonja ben Hakana uit de eerste eeuw, waar de 42- lettergrepige godsnaam in verborgen is. Als men denkt dat de persoon gestorven is, legt men een veertje of wattenpluisje onder de neus om te zien of er nog ademhaling is en men waarschuwt de arts. Volgens de joodse wet, de halacha , is de dood ingetreden als ademhaling en hartslag enige tijd gestopt zijn. In Nederland zegt men dat de dood is ingetreden als er 15 minuten geen hartslag of ademhaling is te bespeuren. Dan bedekt men het gezicht van de overledene en zegt: 'Geloofd zij de rechtvaardige Rechter'. Nu scheurt men een stukje van de eigen kleding in, als teken van rouw, zoals eens aarsvader Jacob bij het bericht dat zijn zoon Joseph was verscheurd door een wild dier. Dan sluit men de ogen van de overledene en bindt men de mond zodanig dat deze dicht blijft zitten en zegt: 'G'd heeft gegeven; G'd heeft genomen; G'ds naam zij gepreze'n (Job 1:21). Men legt de armen en benen van de overledene rechtuit. Alles wat niet van oorsprong tot het lichaam behoort, wordt verwijderd, zoals bijvoorbeeld een pacemaker. Alle sieraden worden afgedaan en het lichaam wordt in een laken gewikkeld. Bij het hoofd wordt nu een lampje of kaars geplaatst. Inmiddels is de chewra kadiesja, een Aramese benaming voor de Heilige Broederschap/Zusterschap, gewaarschuwd. Zo'n chewra kadiesja, geheel bestaande uit vrijwilligers, draagt vaak de naam 'Gemiloet Chassadiem', waarvan de letterlijke betekenis 'het bewijzen van trouw' is, hetgeen men kan vinden bij Jacobs laatste wilsbeschikking (Bereesjiet/Genesis 47:29) En trouw zijn ze, deze vrijwilligers, die op elk moment van hun leven klaar staan om de doden te wassen, de enige dienst waarvoor geen dankjewel gezegd kan worden. Het laatste deel van dit artikel is te vinden op:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||